Je bent van mij!

‘Kom op mannen, we moeten morgen weer vroeg op!’ grapt Kaatje lachend. ‘Over een uur of zeven zien we elkaar weer! Haar collega’s lachen luid, maar houden daar abrupt mee op als ze hard in haar stoel terugploft! Ze kijken haar met open mond aan. Jan, die naast haar zit, vraagt geschrokken: ‘Wat heb jij nou? Je ziet zo wit!’ Ze staart naar de tafel waar de restjes dessert en lege likeurglaasjes op staan. Het is twee dagen voor Kerst en het bedrijf had een kerstdiner georganiseerd.

‘Ik weet niet,’ begint Kaatje zachtjes, en ze kijkt naar haar collega’s, die haar nog steeds in stilte gadeslaan.

‘Het zal wel aan mezelf liggen!’ zegt ze nu, zo opgewekt mogelijk. Jan kijkt haar bedenkelijk aan, omdat hij het niet gelooft.

‘Je bent de laatste weken anders, stiller!’ zegt hij fronsend, en schudt zijn hoofd als zij hem toelacht.

‘Stiller? Welnee, ik heb de hele avond zitten kletsen!’ en weer lacht ze naar hem.

Sinds een paar weken gaat haar gezondheid achteruit, maar door haar vrolijkheid en haar positieve instelling, viel het haar collega’s nauwelijks op. Behalve Jan, waar ze dagelijks mee samenwerkte, die stelde haar vaak directe vragen.

‘Volgens mij heb ik te veel gegeten, m’n benen kunnen het gewicht niet meer aan!’ De collega’s die dicht bij Kaatje zitten, horen haar zelfspot en schieten in de lach. Maar Jan blijft haar serieus aankijken. Er is iets, denkt hij, ze wordt steeds magerder, witter, en als ze lacht zie ik haar angst.

‘Zal ik je naar huis brengen?’ vraagt hij, terwijl hij zijn hand gemoedelijk op haar arm neerlegt.

‘Welnee, ik rol mezelf wel naar m’n auto!’ Ze staat, leunend op de tafel, op, loopt dan langzaam, waggelend weg, en steekt daarbij haar handen in haar oksels, ze beweegt haar ellebogen omhoog en omlaag, en zegt: ‘Tok tok tok tok, zegt de kip!’ Weer bulderen haar collega’s van het lachen, maar niemand ziet haar verkrampte gezicht!

‘Ik snap er niets van!’ begint ze tegen Jan, die haar achterna was gerend, en een helpende arm om haar heen had gelegd. ‘Ik leef zo gezond als een vis!’ Ze kijken elkaar even aan, Jan weet zeker dat ze niet alles zegt.

‘Kom, ik breng je thuis!’

Als Kaatje haar auto inparkeert, is ze blij dat ze Jan ervan wist te overtuigen, dat ze wel alleen naar huis kon rijden. Hij bedoelt het goed, denkt ze, maar mijn man is vreselijk jaloers! Ze zoekt haar huissleutels, als de voordeur opengaat.

‘Hoi Kaatje, kom gauw binnen, je bent laat!’ zegt Ton, en kijkt buiten wantrouwend in het rond. ‘Wil je nog een kop thee?’ Zonder een antwoord af te wachten, loopt hij door naar de keuken.

‘Lekker!’ zegt Kaatje, als Ton haar theebeker aanreikt. ‘Water met een smaakje!’ en ze lacht om haar eigen grapje. De thee deed haar goed, en  luid gapend strompelt ze naar de slaapkamer, waar ze, op haar tanga na, naakt in bed gaat liggen. Ze valt meteen in een diepe slaap maar haar man is nog klaar wakker. Hij streelt haar lichaam en mompelt steeds iets tegen zichzelf. Dan slaat hij het dekbed weg, gaat boven op haar liggen, verschuift haar slipje en bedrijft zachtjes de liefde, terwijl Kaatje’s onderlichaam verdoofd is.

Ze schrikt wakker van het gezoem van haar wekker, maar raakt in paniek als ze haar benen niet meer voelt.

‘Ton!’ zegt ze luid, en pakt zijn arm beet. Hij gaat rechtop zitten en vraagt met een lichte glimlach op zijn gezicht: ‘Wat is er?’

‘Mijn benen!’

Ton loopt naar de woonkamer en ze hoort hem telefoneren. Daarna helpt hij Kaatje met haar kleding, en tilt haar dan naar de woonkamer.

‘Wat zoek je?’ vraagt hij, als Kaatje in haar tasje kijkt, die naast haar op de bank ligt.

‘Mijn mobiel!’ Ton loopt naar de kast, pakt haar telefoon en legt die op het salontafeltje neer, terwijl hij zegt: ‘Ik had je werk en de huisarts met jouw mobiel gebeld, de mijne staat op de oplader! De arts heeft het druk, maar komt je eind van de middag even bezoeken. Hier, eet je ontbijtje maar op.’ Hij overhandigt haar het bordje dat al klaar stond. Ze heeft best wel honger en als ze na haar broodje aan de appelmootjes begint, zegt Ton: ‘Ik ga nu boodschappen doen, dan kan jij even rusten!’

Zo gauw Kaatje haar man hoort wegrijden buigt ze naar voren om haar mobiel te pakken maar dan…,

Ze opent haar ogen en voelt een doffe pijn bij haar slaap, de salontafel ligt op zijn kant en als ze moeizaam gaat zitten ziet ze haar mobiel naast zich liggen. Kaatje probeert de telefoon te pakken, maar haar armen bewegen nauwelijks! Met haar vingers lukt het om naar de mobiel te gaan en ze drukt de berichten open.

‘Dat is vreemd, geen enkel bericht van mijn collega’s!’ zegt ze verbaasd. Ze drukt op de laatste gebelde nummers en ziet dat haar man helemaal niet naar haar werk  en de huisarts heeft gebeld! De angst bekruipt haar als Ton ineens in de woonkamer staat en met een glimlach naar haar toeloopt.

‘Wat is er gebeurd mijn lieve Kaatje?’ Hij tilt haar op de bank en geeft een innige kus. ‘Je bent van mij, weet je!’ en tilt daarbij een paar keer zijn wenkbrauwen omhoog.

‘Ik ben van niemand! Wat heb je gedaan! Waarom word ik zo ziek?’ schreeuwt ze, maar haar stem wordt steeds heser.

‘Gewoon…, een klein beetje gif in je eten en drinken!’ en hij lacht luid, waardoor Kaatje in elkaar duikt.

‘Je gaat niet dood hoor, alleen je zenuwbanen worden beetje bij beetje uitgeschakeld!’ en weer kust Ton haar innig. Kaatje probeert hem weg te duwen, als dat niet lukt lacht hij nog harder!

‘Je bent van mij, niemand wil een vrouw die zich niet kan bewegen!’ Hij kust haar teder in haar nek en Kaatje probeert hem met haar hoofd weg te duwen.

‘Ga van me af, engerd!’ zegt ze, zo hard ze kan, als hij haar op haar rug op de bank legt.

‘Je bent van mij, Kaatje!’ zegt Ton met een warme stem en likt met zijn tong aan haar oorlelletje.

Kaatje walgt van zijn aanrakingen en ze denkt maar aan één ding, hoelang heb ik nog voordat ik verander in een kasplantje! Ik moet meer te weten komen over wat voor gif hij heeft gebruikt!

‘Wat…,  wat voor gif heb je mij gegeven?’ zegt ze, bijna onverstaanbaar. Ton gaat met zijn hoofd naar haar oor en begint dan hard te lachen, terwijl hij sadistisch zegt: ‘Ssslangengif!’ en legt zijn hoofd op haar buik, terwijl hij haar benen streelt.

‘Slangengif…,’ zegt Kaatje fluisterend. Ze weet niet veel over slangen, maar wel dat je dood kan gaan van hun beten!

‘Het gif van welke sla…,’ probeert ze te zeggen, maar het gefluister dringt niet door tot Ton, die haar in trance overal betast.

Kaatje sluit haar ogen en denkt aan Jan zijn woorden. Die jaloerse man van je, slaat hij je? Gelachen had ze om die woorden, maar misschien was het beter geweest hem meer te vertellen!

Dan…, wordt de voordeur ingetrapt en de politie stapt met getrokken pistolen binnen. Ze gooien Ton op de grond, die zich nergens iets van aan trekt, en zegt: ‘Er is er maar één die echt van je houdt, je bent van mij, hoor je…, van mij!’ roept hij luidkeels.

Geboeid wordt Ton door twee agenten afgevoerd, en de tranen rollen over Kaatje’s wangen als het ambulancepersoneel haar een paar injecties geeft. De emoties van de laatste weken komen naar buiten, Ton was veranderd van een jaloerse man naar een ziekelijke treiteraar!

Kaatje draait ineens haar hoofd als ze merkt dat er iemand in de woonkamer staat.

‘Jan!’ zeggen haar lippen. Hij loopt op haar af terwijl hij zijn mobiel omhoog houdt. Als Kaatje het niet begrijpt zegt hij: ‘Ik stuurde je vanochtend, net als bijna al je andere collega’s, een sms’je, maar je reageerde niet! We waren allemaal ongerust en ik sms’te je weer met de vraag of je in gevaar was! Omdat je geen antwoord gaf, ben ik toen naar mijn oom gegaan, die bij de politie zit, en liet hem meeluisteren vanaf het moment dat jij me belde! Mijn oom ondernam meteen actie!’

‘Maar ik heb je niet gebeld!’ zegt ze onverstaanbaar. Ton begrijpt wat ze bedoelt en wijst naar haar linkerhand. Kaatje kijkt opzij, waar haar mobiel nog steeds onder haar hand ligt. Toen Ton haar optilde, had ze op dat moment alle krachten verzameld om haar telefoon, onzichtbaar voor haar man, op te pakken. Alleen had ze met die beweging, zonder dat ze het wist, de laatste beller gebeld!

 

Sylvia