Dieren in het wild

Ik stop abrupt en kijk haar aan. Ze is groter dan een hond, voller van vacht, grijs en dof van kleur. Heel even schiet er een angst-rilling door mij heen en luister ik of ik misschien een auto hoor naderen vanuit de verte. Maar het blijft stil.

Het is kwart voor zeven als ik buiten zit te ontbijten. De zon is net nog niet op waardoor het een beetje frissig is, maar lang zal het niet duren. Ik kijk naar de bergen recht voor mij, zie de eerste zonnestralen geboren worden boven de bergtoppen, die mijn gezicht meteen verwarmen. Terwijl ik mijn koffie langzaam opdrink, komen de buurtjes aanrijden, die naar hun koeien gaan. De stal staat op nog geen vijftig meter van ons vandaan.

Ik trek mijn wandelschoenen aan en loop even naar de boeren, voordat ik vertrek.

De boerin kijkt op als ik het pad op loop en zegt: ‘Ben je er klaar voor?’ en ze begint te lachen.

‘Even wat oefeningetjes doen, en dan ga ik.’

De buren hebben koeien voor de slacht, wel cru om te zien, omdat we met de kinderen dagelijks in de stallen zijn. Gisteravond nog, zegt de boer: ‘Morgen is het dinsdag, bij ons de dag van de slacht. Deze koe is dan aan de beurt,’ en hij wijst naar het dier dat rustig ligt te herkauwen, niet wetende wat er boven haar hoofd hangt. Ze hebben naast de stal een klein huisje met een schuin aflopend dak, aan de zijkant een deur waar de koe naar binnen gaat, aan de voorkant een grote witte deur. Het gaat allemaal heel officieel, maar vreselijk om te zien en te horen. Meestal wil de koe niet, zij krijgt dan een blinddoek voor en wordt het huisje in geduwd en getrokken. Met veel geloei is ze dan binnen en dan, pang…

Ik ben net op weg als ik rechts van mij een kudde koeien hoor loeien, de andere kudde links van mij geeft antwoord. Als ik dichterbij ben zie ik de groep bij het hek staan, zij maken een kabaal wat mij niet gerust maakt. Dan hoor ik een hond blaffen en ik besluit om te gaan kijken als ik de bellen van de koeien wild hoor klinken. Dan zie ik de eigenares, ze zwaait vriendelijk naar mij.

‘Is alles goed?’ vraag ik haar.

‘Ja hoor, de kudde is ergens bang voor en waarschuwt ook de andere. Maar ze staan te dicht bij het prikkeldraad, ik ben bang dat ze zich pijn doen,’ zegt de oude vrouw. Je ziet dat ze van het boerenleven houdt, ze staat naast haar vee en kijkt in de verte.

‘Ik hoorde een hond blaffen en was bang dat het misschien een wolf was, die de kudde van streek maakte,’ ik kijk naar de kant waar de boerin heen kijkt. ‘Ik dacht: laat ik even gaan kijken waarom de kudde zo onrustig is.’

‘Bedankt voor je bezorgdheid, je zou een goede boerin zijn, want de koeien zijn inderdaad geschrokken. Sinds enkele weken zijn de vossen, wolven en everzwijnen dicht in de buurt van de stallen en het vee dat losloopt in de bergen. Het heeft al een maand niet geregend en de beken staan droog, ze komen dan naar ons toe om water te drinken dat we overal hebben staan voor het vee.’

Ik groet de boerin die altijd een lach op haar gezicht heeft staan en begin te wandelen. De weg naar het dorp gaat met veel slingerpaadjes omhoog die me in het begin, zo’n drie weken geleden, zwaar vielen. Genietend loop ik nu in een stevige pas omhoog. Ik kijk om me heen en zie een groep fazanten zitten, die, zo gauw ze mij zien, zich laag houden, hopend dat ze niet ontdekt worden. Glimlachend en zonder ze te storen vervolg ik mijn pad. Hier en daar geritsel van vogels die voedsel zoeken tussen de afgevallen bladeren. Na een bocht ben ik aangekomen waar je uitzicht hebt op een weiland. Mijn oog valt op een adelaar die dichtbij maar stil in de lucht hangt. Zachtjes lopend kijk ik in het rond en zie een haas, die nietsvermoedend zit te eten. ‘Arme haas,’ zeg ik tegen mijzelf en concentreer me op mijn looppas. In de verte zie ik een hertje huppelen en met die gedachten ga ik de bocht om voor het laatste stuk, dat nogal steil is.

Daar staat zij, mij aankijkend. Ik wend mijn blik af om geen oogcontact te maken en denk aan een documentaire die ik laatst heb gezien over wolven. Maar om nu op mijn handen en knieën te gaan zitten en mijn bovenlip op te trekken zodat zij mijn tanden kan zien, zie ik niet zo zitten. Een paar tellen staan we roerloos tegenover elkaar, dan loopt zij een paar stappen opzij, kijkend naar iets, dan loopt ze heel voorzichtig op mij af. Terwijl ik mijn hoofd nog meer naar beneden buig, zie ik, vanuit mijn ooghoek, dat de wolf naast me is gaan staan. Met haar kop raakt ze zachtjes mijn been en ik voel haar stugge haren. Dan loopt de wolvin weer bij mij weg, naar de plek waar ze net ook naar toe liep. Voorzichtig til ik mijn hoofd op, om te zien wat ze doet. Zachtjes maakt ze een jankend geluid en komt dan weer terug naar mij. Snel maak ik me onderdanig door mijn hoofd weer te buigen als ik haar kop weer tegen mijn been voel.

‘Wat moet ik nou?’ zeg ik bijna niet hoorbaar tegen mijzelf. ‘Weglopen, blijven staan, hoelang?’ Vele vragen heb ik, maar het is gek, ik ben niet bang. De wolvin begint een rondje om mij heen te lopen en dan ineens begint ze mij te duwen. Ik schrik van haar gedrag en blijf stil staan omdat ik niet weet wat ze wil. Dan loopt ze weer drie meter bij mij vandaan en keert weer terug. Ik kijk haar aan, wat je bij beesten niet moet doen, maar ik voel dat er iets niet klopt. Zij kijkt me aan met haar trieste donker grijszwarte ogen, haar kop een beetje schuin opzij en ze begint zachtjes te janken. Overdonderd door haar gedrag, loop ik voorzichtig op haar af. Voor haar doen loop ik te langzaam want de wolvin rent naar me toe en duwt tegen de achterkant van mijn bovenbenen. Bij de berm houdt ze op met duwen en kijkt naar iets. Ik doe hetzelfde en zie een vierkant gat, een meter diep, dat je regelmatig tegenkomt hier in de bergen. Waarvoor dat is weet ik niet en tijd om erover na te denken heb ik niet want ik zie iets bewegen in de diepte. De wolvin staat naast me en jankt zachtjes naar die opening. Ik hoor heel zachtjes een antwoord terug. Ik ga op mijn knieën zitten, terwijl ik haar in de gaten hou, en kijk goed wat daar in de put zit.

‘Oh… je kleine zit daar!’ zeg ik zachtjes tegen de wolvin. Ze kijkt me aan alsof ze mij begrijpt en komt met haar natte neus tegen mijn wang. Ik voel haar warme nerveuze adem tegen mijn huid. Eén moment denk ik: wat als… maar de wolvin duwt me met haar neus opzij. Voorzichtig ga ik de put in om niet op het welpje te stappen, dat meteen instinctief begint te grommen, maar stopt als de moeder een blaf teruggeeft. Ik pak het welpje en til hem omhoog, de moeder neemt hem meteen over met haar bek en loopt weg. Ik klim uit het gat en zie dat de wolvin verderop op mij wacht. Terwijl ik mijn kleding schoonveeg is zij weer naast mij komen staan. Ze zet haar jong op de grond en kijkt me aan. Ik ga op mijn hurken zitten met mijn hoofd naar beneden. Zij doet hetzelfde, knielt naast me neer en kijkt mij schuin aan. Dan bespringt de wolvin mij, likkend over mijn hele gezicht, zachtjes jankend met de tanden bloot! Een gebaar dat ze blij is, volgens de documentaire. Ik voel haar dankbaarheid, maar blijf op mijn hoede. Ze likt mijn hand en met haar neus tilt zij die op. “Zou ik haar mogen aaien?” schiet het door mijn hoofd. Til voorzichtig mijn arm op en streel met mijn vingers door haar pels. De wolvin kijkt me aan, geeft me nog een keer een lik in mijn gezicht, neemt dan de kleine weer in haar bek en verdwijnt het dichtbegroeide bos in.

Vol energie ren ik naar huis, met de emotie van het gebeuren diep in mij. Als ik na een tevreden dag ’s avonds in mijn bed lig, hoor ik de wolven dicht bij mijn huis huilen. Ik heb een grote bak met water klaargezet en denk: de wolvin zal wel het hele verhaal verteld hebben terwijl ze water drinkt met haar groep.

 

Sylvia