De jas aan de kapstok

Eduardo stapt ’s ochtends, een uur vroeger dan gewoonlijk, zijn kantoor binnen. Hij wilde voordat de sollicitanten kwamen, goed voorbereid zijn! Het kantoor staat sinds vorige maand op zijn naam, en hij wilde meteen moderniseren. Met twintig jaar ervaring, wist hij wel het één en ander. De zoektechnieken, die zijn vader gebruikte, kwamen nog uit de tijd van zijn opa, en als privédetective moet je toch van alle nieuwe snufjes op de hoogte blijven!

Als Eduardo de sleutels uit de voordeur haalt en die in zijn broekzak steekt, valt zijn oog op de kapstok. Onderzoekend kijkt hij om zich heen en als er niets te zien of te horen is, loopt hij er verbaasd op af. Voorzichtig pakt hij de crèmekleurige damesjas die aan de kapstok hangt. Een lichte zoetige geur bereikt zijn neus en geschrokken houdt hij de jas een stuk van zich af.

‘Dat parfum ken ik ergens van!’ zegt hij fronsend. Met een ruk draait Eduardo zich om als hij ineens iemand achter zich hoort kuchen.

‘Goedemorgen, ik ben Inge van den Brok, en ben een uur te vroeg. Mag ik hier binnen wachten tot het negen uur is, buiten is het toch nog wel erg frisjes!’ zegt ze opgewekt. Als Eduardo iets wil zeggen, begint ze enthousiast te praten over dat ze altijd op tijd komt, maar hij dwaalt af met zijn gedachten.

‘Van wie zou deze jas zijn?’ mompelt hij zachtjes tegen zichzelf. Verbaasd kijkt hij Inge aan, die haar jas aanreikt, waarna ze gaat zitten in de kleine wachtkamer. Met twee jassen in zijn handen loopt hij naar de kapstok en hangt ze op. Dan loopt hij naar zijn kantoor waar hij snel het dossier van Inge van den Brok pakt. Hij begint te lezen, maar wordt steeds door de jas aangetrokken, dan staat hij uiteindelijk zuchtend op en loopt naar de wachtkamer.

‘Inge,’ begint hij, en kijkt verbaasd naar het koffieapparaat dat staat te pruttelen.

‘Een goede secretaresse zorgt ervoor dat de koffie klaarstaat als haar baas dat nodig heeft!’ zegt ze glimlachend.

Het gesprek verloopt goed, en Eduardo belooft haar aan het eind van de middag terug te bellen, omdat er nog drie mensen komen voor een gesprek. Hij sluit de deur achter haar, draait zich om, en blijft dan abrupt staan als hij de jas weer ziet hangen. Met een rilling door zijn lijf loopt hij er argwanend op af. Met elke stap komt de geur steeds dichterbij. Dan pakt hij de jas van de kapstok en snuift er diep in. Een duizeling bekruipt hem en hij sluit zijn ogen. Die zoete geur, waar…, Eduardo opent zijn ogen en in trance trekt hij de damesjas aan. Meteen begint hij te wankelen, maar weet zich staande te houden aan de kapstok. Hij bukt om een zwaaiende vuist te ontwijken, hij kijkt naar de omgeving die hem bekend voorkomt. Dan voelt hij ineens twee handen op zijn rug die langzaam sensueel naar zijn buik bewegen, en schrikt als er zachtjes in zijn tepels wordt geknepen. Hij kijkt naar zijn handen en ziet dat zijn nagels rood gelakt zijn, zijn adem inhoudend kijkt hij naar de kleine spiegel naast de staande kapstok. Hij slikt een brok weg en ziet zichzelf als een kleine angstige vrouw, die bang is voor iemand. Eduardo voelt de handen omhoog gaan, terwijl hij in een reflex probeert de jas uit te trekken, voelt hij een beklemmende gevoel om zijn nek. Het zweet gutst van zijn hoofd als hij uiteindelijk de jas uitkrijgt en die woest in de prullenbak gooit. Hij loopt met grote stappen naar de wachtkamer, pakt een beker die hij met zwarte koffie vult en zegt:

‘Weg met dat gedagdroom, zometeen is er weer een sollicitant!’

 

Als er een vreemde stille vrouw tegenover hem plaatsneemt, komen de visioenen van daarnet weer boven. Een kleine trilling in zijn linker oog zegt hem dat er iets niet klopt.

Na vijf minuten bedankt Eduardo de stille vrouw, en sluit de deur achter haar. Zo blijft hij even staan, kijkend naar de zware eikenhouten deur. Dan draait hij zich in gedachten om en doet van schrik een stap naar achteren waardoor hij met zijn rug tegen de deur komt te staan.

‘De jas,’ begint hij, zachtjes stotterend, ‘hoe komt die nu weer aan de kapstok?’ Eduardo kijkt in het rond, maar er is niemand in zijn pand aanwezig. Dan stapt hij met opgeheven hoofd naar de kapstok, tilt met zijn wijsvinger de jas van de haak, en loopt ermee naar zijn kantoor. Daar legt hij de damesjas op zijn bureau neer en pakt plastic handschoenen. Terwijl hij die aandoet, zet hij ook zijn kleine zakrecorder aan en begint te praten.

‘Ik heb hier een damesjas, maat L, en hij ruikt naar een zoete geur die ik ergens van ken.’

Als hij de jas uitvoerig van binnen en van buiten heeft onderzocht, trekt hij hem weer aan. Meteen valt hij hard op zijn knieën, en als hij naar beneden kijkt, ziet hij dat zijn rok omhoog is geschoven. Hij probeert de hand die nu tussen zijn benen zit weg te duwen, maar voelt dan weer de wurgende greep om zijn keel. Worstelend, met één hand aan zijn rok trekkende, en de andere op zijn keel, probeert hij in paniek weg te komen. Dan blijft hij plotseling staan als hij geen lucht meer krijgt. Met twee handen naar zijn keel grijpende kijkt hij wazig in een spiegel, en zakt dan in elkaar.

Als Inge zijn arm uit de mouw trekt en met de jas in haar hand naar Eduardo kijkt, komt hij meteen weer bij.

‘Wat doe jij hier?’ vraagt hij met een schorre stem.

‘Ik wilde nog iets toevoegen, en had u gebeld, maar ik kreeg steeds een ingesprektoon.’ Eduardo gaat staan, maar als een duizeling hem doet wankelen, pakt Inge hem stevig beet. Hij kijkt naar haar hand en zet grote ogen op als hij haar ring ziet met een grote groene steen. Hij krijgt visioenen, ziet een secretaresse die gebruikt, geslagen en vernederd wordt. Als een grote vuist recht op haar afkomt, ziet hij de ring aan de pink van die hand. Starend laat Eduardo zich naar zijn bureaustoel leiden, en Inge gaat tegenover hem zitten.

‘Ik zal vertellen wat ik net opgeschreven heb,’ begint ze, als ze haar A-viertje pakt. ‘De secretaresse duikt in elkaar als haar baas ineens haar kantoortje komt binnenlopen. De man draagt kort bruin haar maar heeft lange bakkebaarden. Hij loopt naar haar bureau en veegt in één keer alles wat er op staat weg, waardoor het parfumflesje in duizend stukjes breekt. Dan gooit hij haar hard op de grond en trekt haar rok omhoog.’ Inge vertelt verder, maar Eduardo luistert niet meer en heft langzaam zijn hoofd op. Hij kijkt recht voor zich uit naar de portretfoto’s aan de muur. Eerst naar die van zijn vader, maar dan draait dan langzaam zijn hoofd naar rechts. Hij denkt aan zijn oma en aan haar parfum dat, zolang hij haar kon, altijd hetzelfde was geweest.

‘Gore huichelaar!’ roept Eduardo hard, en als hij woest gaat staan rijdt zijn stoel wild naar achteren. Inge, die geschrokken naar Eduardo kijkt, houdt haar laatste woorden in.

Beiden kijken verbaasd op als er wordt aangebeld en de voordeur opengaat.

‘Shit, mijn volgende sollicitant,’ zegt Eduardo geërgerd.

‘Ik ga haar wel halen, dan kunt u even bijkomen,’ zegt Inge, terwijl ze al naar de deur loopt. Hij hoort haar zeggen dat ze vijf minuutjes geduld moet hebben, en witheet loopt hij naar het raam.

Dan recht hij zijn rug en draait zich om.

‘Goedemorgen…,’ en de rest van de woorden blijven in zijn keel hangen, als hij naar een angstige vrouw kijkt, die de lange crèmekleurige jas heeft aangetrokken. Hij ziet zijn visioenen werkelijkheid worden, en kijkt naar de vrouw die alles weer moet ondergaan. Dan loopt hij abrupt naar het portret van zijn opa, pakt het van de muur en slaat het woest stuk op de rand van zijn bureau.

‘Jij bent het niet waardig om aan mijn muur te hangen!’ schreeuwt Eduardo. ‘Wat een vreselijke etterbak was jij, jammer dat je niet meer leeft, want dan…,’ Hij pakt de foto, die nu half uit de stukgeslagen lijst hangt, en scheurt die vol minachting in vele stukken. Hijgend laat hij zichzelf op de grond vallen, naast de vrouw in de lange jas, maar dan staat hij razendsnel weer op als de vrouw begint te krimpen. Als hij even naar Inge opkijkt, ziet hij haar lijkwit in de deuropening staan kijken. Hij loopt op haar af, slaat een arm beschermend om haar heen en beiden kijken naar de jas, die leeg op de grond ligt.

 

Na een uur legt Inge haar notities getypt op het beschadigde bureau van Eduardo.

‘Ga even zitten,’ zegt hij vriendelijk. ‘Hoe komt het dat je al wist wie de dader was?’

‘Een goede secretaresse handelt snel en discreet!!’ zegt ze glimlachend. ‘Toen ik je zocht, vond ik je hier met een damesjas aan, de recorder stond op te nemen, maar door je bewegingen stootte je die om en viel hij stuk op de grond. Ik noteerde alles wat ik zag en wat je zei. De naam van je opa had je al meerdere malen geroepen, nadat je zijn ring had herkend. De vrouw die de jas aantrok,’ en Inge slikt even, ‘was mijn oma, die soms zei: “dat ze op een dag wraak zou nemen.”’

 

Eduardo kijkt even op en kijkt glimlachend naar de damesjas die pronkend aan het spijkertje hangt, naast het portret van zijn vader. Aan het bureau links van hem werkt Inge, die in gedachten aan haar ring met groene steen draait.

Als Eduardo naar huis gaat, staat Inge ineens op en loopt naar de jas, trekt hem aan en…, valt dan op haar knieën en krijgt vreselijke visioenen…

 

Sylvia