Mooi lelijk!

‘Wat ben jij lelijk!’ Verbaasd kijk ik opzij, en kijk naar een lief knulletje, dat naast me zit. Zijn brilletje staat halverwege zijn neus, en het kattenkwaad straalt van zijn gezicht!

‘Wie is er lelijk, ik?’ vraag ik grinnikend, ‘waar ben ik dan lelijk, hier in mijn gezicht?’ Ik wijs naar m’n neus en vraag: ‘Heb ik een te grote neus?’ Hij begint te lachen en gaat staan, wijst naar een meisje dat aan mijn andere kant zit, en zegt hardop: ‘Nee…, zij!’

‘Ssst…, niet zo schreeuwen!’ zeg ik fluisterend.

Het is zaterdagmiddag, als we in de klas zitten en proberen te luisteren naar meester Paul, die godsdienstles geeft. Non Vera en ik springen bij om de klas in het gareel te houden. Van de drieëntwintig kinderen zijn er dertien die de klas regelmatig verstoren. Zo ook deze twee kinderen, die elkaar, over en weer, pesten.

‘Jij bent lelijk!’ zegt nu het meisje, als weerwoord. Omdat boos worden geen zin heeft, gooi ik het over een andere boeg.

‘Zeg jij nu ook al dat ik lelijk ben! Dat zei je vriendje net ook al!’

‘Nee, niet jij, maar hij!’ reageert ze verschrikt.

‘Oh…, ik dacht al dat je het tegen mij had!’ zeg ik zachtjes.

‘Juf, zij is lelijk hè?’ vraagt Manuel, mij aanstotend met zijn elleboog. Ik draai me demonstratief om naar Bea, en bekijk haar van top tot teen.

‘Nou…, ik weet niet waar jij een lelijk meisje ziet!’ zeg ik, Manuel aankijkend.

‘Kijk eens hoe dik ze is, en ze is vreselijk lelijk!’

‘Dik? Welnee joh, ze houdt van lekker eten, houd jij niet van eten?’

‘Ik hou alleen van pizza!’ zegt Manuel met opgeheven hoofd.

‘Jij bent veel te mager en je hebt een stom brilletje!’ verdedigt Bea zich. Nu bekijk ik ook Manuel, ga met m’n hoofd heel dichtbij hem, en kijk naar gezicht, waardoor hij de slappe lach krijgt.

‘Ik zie iets te geks op zijn neus staan!’ zeg ik enthousiast tegen Bea. ‘Weet je dat hij alles veel beter ziet dan jij en ik!’ Verbaasd kijkt ze in haar lesboek.

Als ik aan het eind van de les de boeken ophaal, zie ik nog net dat Bea en Manuel hun tongen uitsteken naar elkaar. Ik zak door de knieën, zodat ik op gelijke hoogte met ze ben, en zeg: ‘Kijk…, ik heb ook een tong!’ Ik steek mijn tong uit en kijk van de één naar de ander. Ze beginnen te grinniken en als ik mijn zoon, die aan de andere kant van de klas zit, ook zie glunderen, lach ik hardop mee!

‘Mamma, dat had je goed opgelost!’ zegt Mirco, als we hand in hand naar huis lopen.

‘Voor mij is niemand lelijk, want iedereen…,’

‘Is mooi lelijk!’ zegt Mirco vol trots, mij onderbrekend. Ik schiet in de lach: ‘Mooi lelijk?’

‘Ja, ik kan iets mooi vinden maar jij kan het bijvoorbeeld lelijk van kleur vinden.’

‘Je hebt gelijk, maar hoe kom je aan die wijze woorden?’

‘Van jou! Ik hoor je wel eens praten met pappa als we in de auto zitten. Dan zegt hij, als we iemand voorbij rijden: “Wat een lelijke neus heeft die mevrouw!” Dan zeg jij altijd: “Maar zag je haar gezicht, ze heeft zo’n mooie uitstraling, en zag je haar lieve glimlach!” Ja toch mamma, dat zeg je toch altijd?’ Ik sta even stil en kijk mijn zoon aan. Ik probeer inderdaad altijd positief te reageren, want voor mij is niemand lelijk! Het is gek eigenlijk, maar ik zie dat nooit. Als iemand mij erop attendeert dat iemand er anders uitziet, moet ik altijd twee keer kijken. Ik zie in mensen altijd juist iets bijzonders, een verborgen glimlach, sprekende ogen, een blik, een houding, welke huidskleur iemand ook heeft, of in welke taal ze me dan ook aanspreken, voor mij is iedereen gelijk!

‘Denk jij er ook zo over?’ vraag ik hem voorzichtjes. Hij knikt en staart voor zich uit. Dan zegt hij: ‘In mijn klas wordt mijn vriendje vaak gepest, omdat hij stinkt!’

‘Vind jij dat ook?’

‘Hij ruikt anders, omdat hij andere dingen eet dan wij, maar hij is ontzettend aardig.’

‘Goed van je, lieverd!’ en ik knijp zachtjes in zijn hand. Terwijl we verder lopen denk ik aan het gesprek van een paar dagen geleden, met een arts. Hij begreep niet dat ik gesloopt uit mijn werk thuiskwam. Hij vroeg: ‘Zit u niet goed aan het bureau?’

‘Bureau?’ herhaal ik de dokter bedenkelijk. ‘Ik werk ín het magazijn met tractoronderdelen, niet óp kantoor!’

‘Zo’n mooie vrouw als u loopt toch hopelijk niet met zware dingen te sjouwen, u hoort op kantoor thuis!’ Ik knipperde even met mijn ogen, begrijp ik het nu goed? Dus als je mooi bent werk je op kantoor, en wie lelijk is krijgt de rotbaantjes! Vreemd, maar ook dàt zie ik niet zo! dacht ik bij mezelf.

Als ik een paar dagen later met Halloween, verkleed en geschminkt naar het hek loop, hoor ik de kinderen al vragen: ‘Snoepjes of grapjes?’

‘Snoepjes!’ zeg ik met verdraaide stem. Dan hoor ik iemand zeggen: ‘Maar ik ken jou! Weet je wie ik ben?’

‘Nee, want je draagt een monstermasker!’ zeg ik, terwijl ik door m’n knieën zak. Dan, heel voorzichtig tilt hij zijn vermomming omhoog en ik kijk naar…,

‘Doe snel je masker omlaag!’ zeg ik fluisterend tegen hem, ‘ik weet wie je bent!’ Hij doet het meteen en zegt dan hardop: ‘Wat ben je lelijk!’ Ik schiet vreselijk in de lach want mijn gezicht is in twee delen geschilderd! Snel laat ik hem de andere kant zien en zeg: ‘Nee hoor, kijk maar, aan deze kant ben ik mooi!’

‘Je bent mooi lelijk!’ zegt Manuel hard lachend, en loopt dan naar mijn buren.

 

Sylvia