Groene mannetjes?

Als ik mijn ogen open doe kijk ik in twee blauwe kijkers die mij vriendelijk toelachen. Ik glimlach terug, maar in een roes van slaap en wakker worden. Ik voel een hand mijn gezicht strelen en wanneer ik me naar die hand wil toedraaien, voel ik dat mijn hoofd vastzit. Verschrikt open ik mijn ogen weer en probeer me te bewegen. Dan hoor ik een zachte lage stem die zegt: ‘Hoe gaat het met u?’ en weer voel ik die hand die mijn wang streelt. Hoe voel ik me, denk ik dan. Ik probeer te denken maar vooral te voelen. Ik ben misselijk en ik voel…

‘Het is alsof  er een olifant op m’n schouders zit!’ zeg ik schor naar de vriendelijke ogen. ‘En… ik ben moe, zou wel maanden willen slapen!’

Wazig kijk ik naar de bewegende personen in het groen, waarvan ik er maar één herken, die met die blauwe ogen. Waar ik ben, ik heb geen flauw idee, maar die streling is vertrouwd, het geeft me rust. Dan praat die stem weer tegen mij, ‘Heeft u pijn?’ Pijn, denk ik. Nee, ik voel me juist heerlijk!

‘Hoe gaat het met de misselijkheid?’ Ja, het gedraai in mijn maag, dat vind ik niet zo fijn, vertellen mijn gedachten mij. Maar hoe vertel ik dat, ik wil wel maar ben zo moe.

‘Ik denk dat ik moet overgeven,’ weet ik toch nog te zeggen. De groene personen pakken me vast en ik voel iemand achter mij, die me ondersteund. Wat er precies gebeurt weet ik niet, want ik val weer in slaap. Heel in de verte hoor ik een gelach van meerdere personen en in mijn droom lach ik mee.

Als ik weer mijn ogen open doe, lig ik in een bed dat door een verpleegster door de gangen wordt geduwd.

‘Hallo schone slaapster,’ zegt ze lachend en ik lach vriendelijk terug. Dan kijk ik met m’n ogen opzij en kijk in twee blauwe ogen die ik herken.

‘Hallo liefje, zeg ik tegen mijn man. ‘Ik had je vanochtend niet meer gezien, het ging zo snel!’

‘Ja, ik was nog beneden je aan het inschrijven op de receptie, toen ik weer boven kwam kreeg ik te horen dat je al naar de operatiekamer was gebracht. Maar hoe voel je je?’ Mijn man pakt mijn hand vast terwijl de verpleegster verder rijdt met mijn bed.

‘Ik weet niet precies wat ik moet voelen, ik voel me raar!’

‘Ik heb de dokter net eventjes gesproken, en volgens hem is de operatie gelukt. Straks komt hij nog terug, hij ging zich eerst verkleden.’ Terwijl mijn man dat vertelt schiet de verpleegster in de lach. Mijn man kijkt haar vragend aan.

‘Sorry, ik lach u niet uit hoor. Ik had een binnenpretje!’

Als ik in mijn kamer ben geparkeerd probeer ik me te bewegen.

‘Wat doe je?’ vraagt mijn man.

‘Ik test of alles het nog doet!’ Ik beweeg alle ledematen en zeg dan tegen mijn man: ‘Alles is goed gegaan,’ en ik zucht diep van opluchting! Mijn man geeft me een kus op m’n voorhoofd en ik zie dat hij blij is.

‘Ik bel even mijn ouders en onze kinderen op, ben zo terug.’ Ik sluit mijn ogen en laat me langzaam wegzweven op dit heerlijke gevoel, ik weet niet wat het is, maar ik voel me lekker. Als ik mijn ogen open, kijk ik weer in die blauwe kijkers, niet van de groene persoon, maar van dokter Love in zijn witte jas!

‘Hoe gaat het met u?’ vraagt hij vriendelijk terwijl hij mijn hand vasthoudt. De aanraking voelt erg prettig, vooral omdat ik alleen maar het plafond kan zien en mijn hoofd niet kan bewegen.

‘Ik voel me goed en raar, ik zweef en voel me licht.’

‘Dat zijn de medicijnen,’ zegt hij. Hij pakt iets onder mijn kussen vandaan en toont het dan door het hoog te houden, zodat ik het kan zien.

‘Dit pompje pompt telkens een klein beetje morfine in uw arm waardoor u geen pijn voelt. Mocht dit wel het geval zijn, zeg het dan, dan voeren we het iets op.’ De dokter vertelt over de operatie terwijl ik mijn ogen sluit, ik ben zo vreselijk moe. Dan voel ik die bekende hand weer op mijn wang en een zachte stem die zegt: ‘Slaap lekker, de pijn is nu weg, straks bent u weer die jonge knappe vrouw van eerst, die weer lekker kan ravotten met haar kinderen,’ en loopt weg. Met deze woorden staar ik plotseling naar het plafond. Het lieve mannetje in het groen, dat was dokter Love, denk ik. Oh mijn god, nu herinner ik me ook weer waarom ze allemaal moesten lachen. Terwijl ze me hadden laten zitten, omdat ik zo misselijk was, heb ik dokter Love ondergekotst! Ik schaam me rot! Slaap heb ik niet meer, en als mijn man weer naast me zit zegt hij: ‘Heb je de dokter gesproken?’

‘Ja,’ zeg ik met een rood hoofd. ‘Hij geeft me morfine waardoor ik zweverig ben en geen pijn voel.’ Ik zeg niets over dat andere, ik doe maar net alsof ik het me niet meer herinner. Schuld van de narcose, denk ik!

Sylvia