Oranje in Italia?

‘En?’ vraagt mijn zusje aan de telefoon. ‘Heb je de tuin alweer versierd?’

Ik denk even na met wat ze nu eigenlijk bedoeld te zeggen, maar dan valt het kwartje.

‘Maar vertel eens, is Nederland al met het voetbal bezig?’

‘Hier in Nederland is bijna alles in oranje, daar bij jullie leeft de voetbal toch ook, is Italië nog niet in het azzurro?’ (azuurblauw)

Ik begin te lachen en zeg, ‘Hier? Hier beginnen ze pas met versieren als ze in de kwartfinale zitten. Ik herinner me vier jaar geleden, de WK in Zuid-Afrika. Een maand van tevoren had ik mijn tuin van groen naar oranje en azzurro omgetoverd.’

‘Ook in het blauw?’ vraagt mijn zusje verbaasd.

‘Ja, zo ben ik dan ook wel weer, ik ben ook een beetje voor Italië, woon daar tenslotte. Maar Nederland staat voor mij bovenaan! Alle wedstrijden ging ik in het oranje naar mijn werk. Elke keer met een andere pet!’

‘Wat zeiden je collega’s?’ vraagt ze lachend.

‘Die waren wel al wat gewend van mij, maar de eerste keren dat ik er verkleed bijliep, verklaarden ze me voor gek! Dan riep ik: nee, jullie beginnen pas achter het voetbalteam te staan, als ze in de kwartfinale zitten, wie is er nu gek? En dan gaven ze me maar gelijk. Later in de wedstrijd kwamen ook de Italianen los. Ze kwamen in voetbal T-shirts, ze hadden sjaaltjes om en hingen slingers op in het kantoor. Maar altijd heel bedeesd, niet zo uitbundig als ik!’

‘Wat vonden de buren van je tuin, of zeiden ze er niets van?’

‘In het begin keken ze raar op, maar een week later gingen de jongelui aan de slag. Er werden vlaggen opgehangen en de overbuurjongen vroeg zelfs, of ik nog een Nederlands vlaggetje overhad. Je weet dat ik trompet speel, dus wat deed ik als oranje moest voetballen? Dan blies ik op mijn trompet het Wilhelmus mee!’

‘Nee,’ zegt mijn zusje gillend van het lachen. ‘Echt waar?’

‘Ja joh, en ik kreeg nog applaus ook! Het was namelijk toen erg warm buiten, alle buren hadden de ramen en deuren openstaan, ze hadden het allemaal gehoord. Wat ik wel erg sportief vond is dat, toen Italië eruit lag, iedereen voor mij was, zowel op het werk als thuis. Toen we in de finale verloren van Spanje, kreeg ik veel telefoontjes, sms’en en mails van de kant van de Italianen. De buren kwamen zelfs met een fles champagne aan, om de overwinning te vieren. Ze zeiden: jullie hebben dan wel niet gewonnen, maar laten we op de tweede plaats drinken!’

‘Wat lief van ze, en wat een leuke ervaring! Zal het dit jaar ook weer zo gaan?’

‘Ik weet het niet, ik hoop het wel! Aan mij zal het niet liggen, ik versier mijn tuin met slingers en vlaggen in twee kleuren (meer oranje natuurlijk, ik blijf een Nederlander!), ik haal mijn kleding weer tevoorschijn, en net zoals de Nederlandse voetballers, die een vaste geluksonderbroek hebben, trek ik ook mijn oranjeslip weer aan!’

‘Je bent echt een gek mens! Ze schatert het uit. ‘Maar ik doe met je mee hoor, ik zal ook mijn oranjeonderbroeken weer opzoeken!’

‘Waar ik ook woon, ik pas me altijd aan. Behalve als het Oranjeteam speelt, dan ben ik weer die gek uit Olanda!’

 

Sylvia