Ofidiofobie

Ofidiofobie

Na een warme novemberdag ben ik in het begin van de avond nog steeds aan het werk. De tuin is bijna winterklaar, maar ik moet opschieten want in de bergen sneeuwt het al. Als ik de planten water geef, die in de bloembakken staan, zie ik ineens iets bewegen, dicht bij mijn voet. Omdat ik vermoed dat het een hagedisje is, dat een plekje zoekt voor zijn winterslaap, reageer ik niet echt. Er lopen zoveel van die beestjes in de tuin, dat ik er wel aan gewend ben dat er soms één voor mijn voeten wegvlucht!

Terwijl ik water in een grote plantenbak giet, waar een prachtige passiebloem in groeit, kijk ik langzaam omlaag. Het schemert al een beetje en ik denk: Dat hagedisje heeft wel een erg lange nek, als ik het diertje onder het hek door zie kruipen, onze tuin in! Omdat ik het niet helemaal vertrouw, doe ik toch maar een stapje achteruit en er ontsnapt me een zacht gilletje. Dat beestje met die lange nek is geen hagedis, het is een slang! Snel doe ik meerdere passen naar achteren, terwijl ik het dier in de gaten houd.

‘Appie, kom snel naar buiten, er zit een slang in de tuin!’ roep ik naar mijn man, die binnen zit. Lachend komt hij naar buiten, als hij mij op een tuinstoel ziet staan.

‘Waar zit hij?’ vraagt hij, en kijkt in het rond, ‘Het zal wel een biscia zijn, die zijn zo schuw dat ze liever vluchten dan bijten, dat doen ze trouwens zelden!’

‘Een ringslang, zoals de biscia in het Nederlands heet, of een andere slang, voor mij zijn ze allemaal hetzelfde! Ik weet het verschil niet en ga dus opzij, zodat ze rustig weg kunnen gaan!’ De buren hadden me horen praten en komen toch maar even kijken voor het geval dat het een vipera (adder) is. Als de buurvrouw het beest ziet zegt ze: ‘Je hoeft niet bang te zijn, deze slang is niet giftig voor ons!’

‘Dat kan wel zo zijn maar ik vind het niets!’ geef ik als weerwoord.

We verjagen de slang, die wegvlucht naar het hek van waaronder hij was gekomen. Als ik zie dat hij richting de nieuwe huizen gaat die daar gebouwd worden, haal ik opgelucht adem.

‘Borreltje?’ vraagt Appie, aan ons.

‘Nou, van de zenuwen lust ik wel een limoncino!’ (Italiaanse citroenlikeur die vaak in huis wordt gemaakt). De buurman grinnikt en stemt ook in met een borrel.

Terwijl Appie de glaasjes vult legt onze buurvrouw uit dat een biscia niet gevaarlijk is.

‘Doordat er verderop nieuwe huizen worden gebouwd, zijn sommige slangen door het heien weer wakker geworden.’

‘Gaan slangen dan in winterslaap?’ vraag ik haar verbaasd.

‘Ja, net als de hagedisjes.’

‘Dat die in winterrust gaan, dat wist ik, maar slangen…!’

‘Ja, als het kouder wordt zoeken ze een plekje, maar dat heien, en het warme weer van dit weekend, doet ze niet goed!’ Terwijl mijn man me een glaasje aanreikt zegt hij gekscherend: ‘Ik wist niet dat je aan ofidiofobie lijdt!’ en hij neemt snel een slokje, terwijl de buren beginnen te lachen.

‘Een wát fobie?’ Als nu ook mijn man begint te lachen, zeg ik, hem aanstotend met m’n elleboog: ‘Ik heb geen slangenfobie, ik ga ze alleen maar uit de weg!’

‘Ja dat zag ik, je stond bijna op de tuintafel!’ Gierend van het lachen kijkt hij me aan en ook ik schiet in de lach.

‘Lach maar! Ik denk dat jij hetzelfde zou doen!’ Onze buurman komt me te hulp door te zeggen: ‘Als het met Lena zou gebeuren, stond ze zeker op de tafel!’ Lachend legt hij een arm om haar schouders en kijkt haar aan.

‘Jullie mannen!’ antwoordt ze, terwijl ze mij een knipoog geeft. We grappen nog wat na, als Mirco naar buiten komt en vraagt wat we gaan eten.

‘Het is al zeven uur!’ roep ik verbaasd, als ik op m’n horloge kijk. De buren gaan haastig naar huis, ze moesten rond zevenen bij vrienden zijn, om samen te dineren!

Als we na het eten een espresso drinken, vraagt Appie: ‘Moet je nog veel doen?’

‘Nee, alleen de bloembakken water geven, en het tuingereedschap opruimen. Als je me helpt, zijn we met tien minuten klaar!’

‘Dat is goed,’ antwoordt hij, terwijl hij opstaat. We ruimen af en mijn man loopt de voordeur uit met de lege dozen van de pizza’s, terwijl ik de achterdeur uitloop met een gieter. Het is fris geworden buiten en een rilling bekruipt me. Ik zie mijn man het straatje vegen, als ik in het rond kijk, dan valt me de tuinslang op, die langs de heg ligt. Ik pak de haspel en langzaam draai ik de slang op, en op datzelfde moment zie ik mijn man wegrennen. Omdat ik vermoed dat hij het nog steeds moeilijk heeft met het verlies van ons hondje, laat ik hem maar even alleen.

Als we ’s avonds naar bed gaan, zegt mijn man, nadat ik het licht heb uitgedaan: ‘Ik was me vanavond rot geschrokken!’

‘Waarvan?’ en ik draai me op mijn zij.

‘Nou, toen jij die tuinslang oprolde!’ Hij stopt even en slikt, ‘ik stond bij het grafje van Pippo, en deed net een takje goed van de rozemarijnstruik, toen ik de struik zag bewegen en daaronder iets langs, groens en glibberigs zag bewegen!’

‘Dacht je dat het de biscia weer was?’ Ik knip het schemerlampje weer aan en kijk verbaasd naar mijn man.

‘Ja,’ zegt hij beschaamd.

‘Toen rende je het huis in?’ zeg ik, m’n lach inhoudend.

‘Nee, ik eh…, ben op het houten bankje gaan staan!’ Ik begin te gieren van het lachen. ‘Wat jammer dat ik dat niet gezien heb, ik dacht dat je het moeilijk had, vanwege Pippo!’ Als ik het lampje uitdoe heb ik nog heel lang de slappe lach, tot ergernis van Appie!

 

Sylvia