In zak en as

Daar zat hij, met zijn ellebogen op zijn knieën, zijn gezicht steunend met z’n handen, op het matras in het gevang. Denkend aan alle ellende die was ontstaan, waardoor de mensen om hem heen niets meer met hem te maken wilden hebben en…

‘Ahhh!’ schreeuwt Frank luid, als hij zijn kwaadheid uit.

‘Wat heb je uitgevreten?’ vraagt een donkere stem, vanuit het bed boven hem. Geschrokken gaat hij staan en kijkt naar een grote forse man, die languit op zijn rug ligt met zijn handen onder zijn hoofd.

‘Ik.., ik dacht dat ik hier alleen zat?’

‘Dat heb je dan verkeerd gedacht, een privé-cel krijg je alleen als je gevaarlijk bent voor jezelf, of als je geld hebt!’ Zuchtend laat Frank zijn schouders hangen, loopt naar het kleine wasbakje en bukt om een slokje water te drinken.

‘Hé! Ik zit hier al een tijdje, geen uitdagende houdingen alsjeblieft!’ zegt hij flirtend. Met een ruk staat Frank overeind en draait zich abrupt naar hem om. De man laat zich van het bed glijden en loopt op hem af. ‘Ik maakte maar een grapje hoor! Trouwens, mijn naam is André,’ en hij steekt zijn hand uit.

‘Frank,’ antwoordt hij aarzelend, terwijl hij ook zijn hand uitsteekt.

‘Ik probeer me met humor staande te houden, anders hou ik het hier niet vol!’

‘Zit je hier al lang?’ vraagt Frank, terwijl hij naar zijn matras loopt en zich er met een plof op laat vallen.

‘Bijna twee jaar!’ en André vertelt verder, maar Frank dwaalt af met zijn gedachten. Hoeveel jaar zal ik wel niet krijgen, vijf, tien of levenslang? denkt hij.

André gaat naast Frank zitten en stoot hem met zijn schouder aan.

‘En jij?’ herhaalt hij zijn vraag.

‘Ik…, wat?’ en hij draait zijn trieste gezicht naar André, die hem verbaasd aankijkt.

‘Kom op, vertel me wat je hebt gedaan, je maakt me nieuwsgierig!’

‘Moord,’ zegt hij fluisterend.

‘Zit ik hier met een moordenaar!’ André staat snel op en springt op het stapelbed. ‘Kan ik je wel vertrouwen? Ik moet nog maar zeven maanden, en ik wil graag levend naar buiten!’

‘Het is niet mijn schuld, ik was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.’

‘Dat zeggen ze allemaal!’ zegt André oordelend. Frank zucht diep en hij begint te vertellen.

Ik had een heel lief meisje ontmoet, Vera heette ze!’ en hij glimlacht als hij haar in gedachten voor zich ziet. ‘We hadden elkaar ontmoet op de avondschool, en ze vroeg wie haar na de les thuis kon afzetten, omdat er geen bus meer reed. Ik bleek vier straten verderop te wonen, dus haalde en bracht ik haar wekelijks, zo groeide onze vriendschap. Op een avond vroeg ze mij of ik de volgende zaterdagmiddag met haar een terrasje wilde pakken, ze wilde graag iets terugdoen. Daar zaten we toen, beiden heel verlegen, en op een gegeven moment keken we elkaar aan. Als een magneet werden we naar elkaar toegetrokken, en net op het moment dat we elkaar voor het eerst wilden kussen, sprong er een puppy op mijn schoot!’ We hebben vreselijk gelachen en het ijs was gebroken! Zoenend zijn we bij mijn auto aangekomen en het was een wonder dat we geen ongeluk hebben gekregen, op weg naar haar huis.’ Frank slikt even, waarop André meteen reageert: ‘Geen seksverhalen hoor, ik zei je toch, dat ik hier al een tijdje zit!’ Frank hoort de flirtende toon weer in zijn stem en grapt terug: ‘Wil je details?’ Ze lachen samen luid, dan vraagt André ineens: ‘Maar wie heb je vermoord, haar minnaar?’

‘Was het maar waar! Nee, het liep geheel anders. We waren al meer dan drie jaar een gelukkig stelletje en ik wilde haar ten huwelijk vragen.

Ze kwam uit een rijk gezin en ik wilde graag een goede indruk maken op haar vader. Hij had vaak met zijn dochter gepraat, of het niet beter was dat ze een andere partner zocht die ook geld had, maar ze koos voor mij! Ik had alles geregeld, een restaurantje, twee violisten, een bloemenman, de ring…, en toen ging het mis.’

‘Wat gebeurde er, meneer de romanticus?’ vraagt André, terwijl hij bij hem op het voeteneind gaat zitten, en hem vol verwachting aankijkt.

‘We liepen het steegje in en toen kwamen we midden in een drugsdeal terecht. De dealers schrokken van ons, en omdat er in de verte een sirene te horen was, dachten ze dat we van de politie waren. Ze gooide het open koffertje met zakjes wit spul voor onze voeten, en de grootste van die vijf gooiden een pistool in mijn richting. Ik ving dat ding op, maar raakte de trekker, die op scherp stond, aan. Tegelijk met de knal zakte Vera ineen. Stomverbaasd keek ik naar het bloed dat uit haar sijpelde.’

‘Dus het was jouw schuld niet, maar hoe komt het dan dat je hier zit?’ vraagt André met open mond.

‘De dealers gingen er snel vandoor en zijn niet gezien door getuigen. De politie was er in een mum van tijd en vond mij met Vera’s handen in de mijne. In het koffertje had de politie ook wat sieraden aangetroffen, die gestolen waren uit de juwelierszaak waar ik de verlovingsring had gekocht.’

‘Ja? En, je had toch een kassabon, waarom ben jij dan opgepakt?’

‘De juwelier was nog erg in de war van de overval, toen ze een foto van mij lieten zien, zei hij dat ik de dader was. Ik heb alles tegen me!

Vera’s vader, die verklaarde aan de politie dat ik een nietsnut was die snel geld wilde verdienen, de drugs en de sieraden die in het koffertje zaten en voor m’n voeten lagen, op het pistool zaten mijn vingerafdrukken, en in mijn broekzak zat de ring uit de juwelierszaak!’

Het blijft heel lang stil in de cel, en als André uiteindelijk naar zijn eigen bed klimt en zachtjes iets tegen zichzelf zegt, rollen de tranen over Frank’s gezicht en huilt hij in stilte.

 

Sylvia