Sylviaderijk.com
HOME » verhalen » Hofstede Rooswijk

Hofstede Rooswijk

Marina loopt op de driesprong van de Westerwijkweg naar de Staalstraat als plotseling de wind de bomen naast haar op de Rooswijkweg doet bewegen. Van schrik blijft ze staan en kijkt naar het oude Koetshuis Westerwijk. De bomen rondom dat huis staan doodstil, terwijl het ruisen van de bladeren naast haar heftiger wordt en dan ineens stopt. Kippenvel bekruipt Marina en ze sluit heel even haar ogen. Dan…, voorzichtig kijkt ze naar de bomenrij, maar geen blaadje verroert zich.

Op deze driesprong zijn al veel toevalligheden gebeurd, welke teruggaan tot het jaar 1625, toen een zekere Hein Egels in de net gebouwde Hofstede Rooswijk kwam wonen.

Hein was een knappe blonde baron die zijn vrouw niet trouw bleef. Wanneer de barones naar het dorp ging, stond er bij de achteringang al een dame te wachten. Hein hield van vrouwen, maar ze moesten wel van goede komaf zijn. Op een dag vergat de barones haar tas en keerde terug. Ze liep naar haar achtervertrek en kwam haar hofdame Irene tegen, die haar zenuwachtig toelachte. De barones, een aantrekkelijke jonge vrouw, die dagelijks in een prachtig wit gewaad liep, hoorde herkenbare geluiden vanuit hun slaapkamer. Met haar hand nog op de deurknop en met open mond, keek ze naar haar man, die naakt bovenop lady Anna-Maria de liefde bedreef. Woest pakte ze haar man beet op een zodanige plek dat hij haar wel moest gehoorzamen, leidde hem naakt naar buiten, de zeven treden af, en liep naar het grote meer voor hun huis.

‘En vanaf nu!’ schreeuwde ze hem toe, terwijl het personeel en lady Anna-Maria toekeken, ‘doe je wat ik zeg of er zullen jou ernstige dingen overkomen!’ Bij die woorden kneep ze nog harder in zijn lid en duwde hem toen het meer in.

Na een maand werd ineens de hofstede aan een doktersfamilie verkocht, en niemand wist waar de baron heen was gegaan. De barones was op mysterieuze wijze verdwenen, maar de doktersvrouw, Jannie, sprak vaak over een vrouw in het wit, die dagelijks rond het meer dwaalde.

Maar de mannen uit het dorpje Velsen hadden een heel ander verhaal over de barones, en waren doodsbang voor haar.

De eigenaar van Koetshuis Westerwijk, Piet Pils, kocht de hofstede van de doktersfamilie, waarover de geruchten gingen dat de heer des huizes op onverklaarbare wijze impotent was geworden. Piet Pils geloofde die onzin niet en liet de hofstede uitbreiden met meerdere zijvertrekken. Zijn vrouw en hij genoten van het leven op Rooswijk, en hun zoon Daniël maakte zijn droom werkelijkheid, door er boerenwoningen bij te laten bouwen.

Daniël was verloofd met de mooiste boerendochter van het dorp, maar lonkte ook naar andere jonge vrouwen. Op een gure ochtend in december liep Daniël naar de stallen en zag daar de bloedmooie Raffaella, die met zijn neef was getrouwd. Ze gaf haar paard te eten, terwijl Daniël naar haar toe liep. Hij hielp haar met het zadel, toen hun ogen elkaar vonden. De eerste kus was zachtjes en teder, maar het vuur in die twee jonge mensen was zo hevig, dat Daniël Raffaella wild in het hooi gooide, terwijl hij zijn broek liet zakken. Hij was nooit te ver gegaan met andere vrouwen, maar de gedachte aan Raffaella spookte maar al te vaak in zijn fantasie. Tijdens de heftige vrijpartij gaf Raffaella ineens een harde kreet, maar Daniël schonk daar geen aandacht aan, het wondt hem juist nog meer op, omdat hij dacht dat het een genotskreet was van haar.

Dan ineens schreeuwt Daniël het uit, hij voelt een scherpe pijnscheut, een dof gevoel, tot het zwart wordt voor zijn ogen. Raffaella kijkt angstig op als ze een vrouw in een prachtig wit gewaad ziet, die geluidloos lacht. Zenuwachtig kamt Raffaella met haar vingers door haar lange zwarte haren, pakt dan snel haar kleding op en rent de stal uit. Als Daniël na lange tijd weer bij bewustzijn komt, ligt hij in zijn eigen bed, waar de herinneringen ineens weer bovenkomen. Hij betast angstig zijn lid en schreeuwt het uit, als blijkt dat hij er geen gevoel meer in heeft.

De angst zit zo diep in hem, dat hij besluit zijn ouders over te halen om weer in het koetshuis te gaan wonen. Als zijn moeder hem ziet strompelen, trekt ze een bedenkelijk gezicht en stemt er mee in.

Zoals dat wel vaker gaat, als je in een klein dorpje woont, weet iedereen binnen een paar dagen wat er is gebeurd. De boerendochter verbreekt de verloving met Daniël, en Raffaella vlucht met haar man naar het zuiden van het land.

Omdat Hofstede Rooswijk een prachtig, groot natuurpark heeft, was het voor graaf Albert-Jan del Court van Krimpen dan ook een reden om de hofstede te kopen.

Hij organiseerde regelmatig tuinfeesten, waar bekende mensen graag naar toe gingen. Op die feesten hielden de Velsenaren hun hart vast, want er kwam altijd wel een man van een koude kermis thuis! Strompelend, met hun handen op hun kruis, dropen ze af, of ze stortten op de driesprong ineen.

Marina zucht diep en loopt dan langzaam verder naar de hofstede, waar ze een sollicitatiegesprek heeft. Het is eind 1939 en bij de staalfabriek, die Hofstede Rooswijk heeft gekocht, zoeken ze typistes. Als ze in de verte een stelletje aan ziet komen, haalt ze opgelucht adem en zet er stevig de pas in. Wanneer ze elkaar passeren, groet Marina hen en vraag of ze de juiste kant op loopt. De vrouw, die een bijna-witte lange jas draagt, legt haar vriendelijk uit waar ze moet zijn. Met opgeheven hoofd loopt ze verder, maar een rilling bekroop haar, omdat de man Marina een knipoog gaf toen ze samen wegliepen en ze de vrouw hoorde zeggen: ‘Je weet wat er gebeurd als…!’

Marina wordt typiste, en als een jaar later de Duitsers het pand overnemen, wordt ze gedwongen om voor hen te gaan werken. Een generaal heeft interesse in Marina, maar zij ziet hem niet staan. Op een late middag, wanneer haar collega’s al naar huis zijn, stapt de generaal haar kantoor binnen en doet de deur dicht. Voordat Marina wat kan zeggen kust hij haar vol op haar mond en houdt haar stevig vast, zodat ze niet weg kan rennen. Ineens herinnert ze zich de woorden van de vrouw en ze zegt luid: ‘Je weet wat er gebeurt als je verder gaat?’ De generaal lacht haar uit, maar op het moment dat hij zijn broek laat zakken, zakt hij lijkwit ineen met zijn handen op z’n kruis. De Duitse soldaten denken dat Marina een knietje had gegeven, maar de dorpelingen weten wel beter!

 

Het is een mooie zaterdagochtend, als ik lekker aan het joggen ben. Ik loop over de Staalstraat, als ik een klein zandpaadje rechts van me zie.

‘Vreemd,’ zeg ik fronsend tegen mezelf, en loop nieuwsgierig over het weggetje, terwijl ik voorzichtig wat frambozenstruiken opzij duw. Het pad loopt langs een oude bomenrij en verbaasd blijf ik op een driesprong staan.

‘Waar ben ik?’ fluister ik, ‘ik woon al m’n hele leven hier, maar dit ken ik niet!’ Als een windvlaag ineens de bomen doet ruisen, krijg ik overal kippenvel en kijk angstig om me heen. Dan…, zie ik tussen de bomen door, iets wat op een kasteeltje lijkt, met een groot meer ervoor. Ik frons nog meer en krijg een déjà-vu als ik een knappe vrouw in het wit bij het water zie staan. Ineens komen allerlei beelden bij me binnen over deze plek en zijn legende, en over de Duitsers die de hofstede in brand hadden gestoken, omdat de soldaten die er binnen kwamen, er impotent vandaan gingen. De hofstede was behekst!

Ik kijk naar de vrouw die me recht, maar vriendelijk aankijkt en mijn angst ebt weg. Als ik een stap in haar richting zet, begint het weer hevig te waaien, waardoor ik even mijn ogen sluit. Als ik ze weer open sta ik weer op de Staalstraat naast het kleine zandpaadje. Ik schrik als een man van het pad komt, terwijl hij zijn gulp dichtritst. Hij kijkt me met een glinstering aan en ik zeg langzaam, maar met opgeheven hoofd: ‘Je weet wat er met jou gebeurt als je me aanraakt!’ Mijn donkere ogen kijken dodelijk naar zijn kruis, terwijl mijn mond lacht. De man schrikt en rent struikelend weg, terwijl hij roept: ‘De vrouw in het wit is terug!’

Ik strijk mijn witte joggingpak recht en loop met een gemeen glimlachje terug naar de Westerwijkweg, naar de driesprong…

 

Sylvia