Sylviaderijk.com
HOME » verhalen » De vuilverbranding

De vuilverbranding

'Waar haal jij het gore lef vandaan om mij als moordenaar aan te wijzen!' schreeuwt Fred naar zijn collega. 'Ik dacht dat wij vrienden waren!' Sander kijkt naar de grond als Fred in de handboeien wordt afgevoerd, maar kijkt verschrikt op als hij bij de deuropening blijft staan.

'Wacht maar, je dagen zullen niet meer hetzelfde zijn!' zegt Fred gluiperig, met zijn ogen tot spleetjes geknepen. Een rilling bekruipt Sander, hij draait zijn hoofd weg en kijkt verbaasd op als hij de boze blikken van twee chefs achter hem ziet.

‘Is er iets?’ vraagt hij onzeker aan hen.

‘Je hebt gehoord wat Fred zei, je dagen,’ en de kleinste van die twee stroopt zijn mouwen op, ‘zullen…,’

‘Anton! Stop!’ roept Wil, en springt tussenbeide. ‘Laten we ons maar koest houden,’ zegt hij fluisterend, met zijn hoofd wenkend naar Sander. ‘Straks vertelt hij nog iets over ons!’ Anton kijkt zijn collega-chef aan en mompelt: ‘Als hij nog één keer zijn mond opendoet, dan timmer ik die persoonlijk dicht!’

‘De politie is nog steeds in het bedrijf, laten we de schijn maar ophouden alsof hij,’ en Wil wenkt nogmaals naar achteren, waar Sander de beide mannen gadeslaat, ‘een goede ploegchef is!’

Anton is het er niet mee eens, maar als hij een agent ziet binnenkomen, die hen aankijkt en naar ze toe loopt, zegt hij nors: ‘oké!’ Dan loopt hij met grote passen, terwijl hij met zijn schouder hard tegen Sander’s schouder botst, naar de agent. Alsof er niets is gebeurd, steekt Anton zijn hand uit om de agent tegemoet te komen.

‘Hallo, ik ben Anton Fontijn, en neem de zaken waar van Fred Flits, zolang hij afwezig is!’ Ze schudden elkaar de hand en de agent kijkt naar de andere twee.

‘Dat zijn Wil Mus en Sander van het Lot,’ zegt Anton snel, om hen beiden niet aan het woord te laten. Beide mannen knikken naar de agent, als Anton zegt: ‘Zullen we even naar het kantoor gaan, hier in de fabriekshal lijkt me nu niet echt een plaats waar we kunnen praten!’ De agent gaat akkoord en loopt met Anton mee, terwijl Sander opgelucht naar zijn collega kijkt en zegt: ‘Ik weet dat je er niet mee eens bent, maar zo kon het niet langer, dat weet jij toch ook?’ Het antwoord blijft uit, maar als Sander Wil in zijn harde blauwe ogen kijkt, ziet hij toch iets wat hem sterker maakt. Hij wil iets zeggen, maar dan trilt zijn mobiel in de binnenzak van zijn blazer.

‘Hallo?’ zegt hij fronsend, wanneer hij het nummer van Fred ziet. Aan de andere kant van de lijn blijft het stil en Sander kijkt naar Wil, die hem nu ook verbaasd aankijkt, als hij hem hoort zeggen: ‘Hallo…, Fred, ben jij het?’ Weer wordt er niets gezegd, Sander duwt zijn mobiel nog steviger tegen zijn oor en luistert of hij iets op de achtergrond hoort. Net als hij wil ophangen hoort hij gefluister en houdt hij zijn adem in om het te kunnen verstaan. Als hij het niet begrijpt knijpt hij zijn ogen stijf dicht om in de stem te kruipen, maar hij heeft het niet verstaan als er wordt opgehangen.

‘Waarom vroeg je of het Fred was?’ vraagt Wil kil.

Sander kijkt schuin omhoog, naar het kantoor van Anton.

‘Mag je in de gevangenis een mobiel bij je houden?’ vraagt hij aan Wil, terwijl hij naar boven blijft kijken. Wil kijkt nu ook omhoog en ziet zijn collega, met zijn gebruikelijke gebaren, papieren overhandigen aan de agent. Zonder een antwoord af te wachten vraagt Sander: ‘Waar is de mobiel van Fred, heeft hij die?’ Sander draait zich om en kijkt naar Wil, die hem nu weer hard aankijkt.

‘Wat heb je toch tegen Fred en hem?’ en hij wijst met zijn duim naar achteren, waar Anton druk heen en weer loopt, pratend in een telefoon, terwijl de agent uit het raam kijkt, het bedrijf in. ‘Fred is zelfs je vriend! Ik snap jou niet, hij heeft je toch van alles gegeven?’

‘Hij vermoordt mensen!’ zegt Sander, nu een stap dichter naar zijn collega toe. ‘Die wil ìk niet als een vriend! Jij?’ Ze kijken elkaar minachtend aan. Dan gaat één van de sluisdeuren open en een vrachtwagen komt langzaam binnen rijden. Beide mannen lopen een kant op en als Sander achterom kijkt, springt hij net op tijd opzij! De vrachtwagen rijdt vlak langs hem en zijn hart klopt in zijn keel. Hij kijkt op en ziet dat de agent afscheid neemt van Anton en het kantoor uitloopt. Wil praat met een werknemer en wijst naar de ovens die aan de andere kant zijn. Sander kijkt in het rond maar er is niemand die op hem let! Hij zucht opgelucht en loopt dan naar de ovens toe. Hij gaat de trap op en kijkt naar beneden, waar het afval gescheiden wordt en via een transportband naar verschillende ovens wordt getransporteerd. Sander denkt weer aan het moment, toen hij terugkwam van het toilet, en hij zijn baas daar zag staan met iemand in een keurig donker pak. Hij dacht dat Fred een rondleiding gaf, want dat deed hij vaak, en hij liep er nietsvermoedend op af. Hij ging de trap op, en net toen hij Fred wilde begroeten…,

Sander schrikt op als er iemand naast hem komt staan, tegen hem opbotst, waardoor hij bijna zijn evenwicht verliest en zich nog net staande weet te houden aan de leuning.

‘Hé, kan je niet uitkijken, ik viel bijna van het plateau!’ Als hij opzij kijkt ziet hij niemand, maar in de verte loopt iemand in een groene overall snel de bocht om. Sander denkt aan de woorden van Fred en een koude rilling loopt over zijn rug.

Hij gaat het kleine vierkante bedieningshuisje binnen en controleert de temperaturen van de drie ovens, maar de schrik zit hem nog steeds in de benen. ‘Waarom moest ik toch alles zien!’ zegt hij zachtjes tegen zichzelf. Sander loopt naar het raam en kijkt naar beneden, en een rilling bekruipt hem.

Fred was echt een vriend van hem, op het werk was hij dan wel een etterbak, maar buiten zijn bedrijf was hij de goedheid zelve! Ze deden vele dingen samen, sporten, wandelen, naar wijnproeverijen, en ze konden uren praten over kunst. Maar hij kon er niet meer tegen, het geheim dat Fred mensen vermoordt zonder dat iemand het doorhad, was te zwaar voor hem.

In gedachten ziet Sander de man in pak weer voor zich, spartelend op de lopende band, totdat hij…

Met en ruk draait Sander zich om, omdat hij een spiegelbeeld in het raam zag. Er was iemand zachtjes binnengekomen en hij kijkt in de ogen van…, ‘Ineke! Je laat me schrikken!’ zegt hij, luid zuchtend. Ze kijkt schichtig om zich heen en gaat dan snel in het donkerste hoekje staan, terwijl ze langzaam begint te praten.

‘Doe net alsof ik er niet ben, kijk naar het bedieningspaneel als je met me praat. Kan ik je vertrouwen?’

‘Waarom vraag je dat? Je weet toch dat ik je vriend heb aangegeven, de vraag is, kan ik jou wel vertrouwen?’ en hij draait zich naar haar toe. Sander heeft in stilte altijd genoten van haar mooie verschijning, maar door de schaduw die nu over haar valt ziet hij alleen maar de contouren. ‘Er zijn me, in zeer korte tijd, een paar rottige dingen overkomen!’

‘Dat heb ik gezien, draai je alsjeblieft om…, ik wil niet dat je me ziet!’

‘Waarom niet, we kennen elkaar toch al jaren?’

‘Sander, ik wil iets met je bespreken maar niet hier, ik ben bang dat mij ook iets boven het hoofd hangt. Kom vanavond om zeven uur naar bar Renato, links achterin staat een tafeltje in een donkere hoek, daar zal ik op je wachten. Mocht ik er niet zijn dan zal een advocaat je een brief komen brengen.’ Sander kijkt bedenkelijk naar de rode en groene lampjes, draait zich om en loopt naar Ineke, maar staat dan abrupt stil. Ze is net zo snel vertrokken als dat ze was binnen gekomen. Hij kijkt om zich heen en voelt zich alsof iemand zijn keel dichtknijpt. ‘Frisse lucht…, ik moet naar buiten,’ zegt hij tegen zichzelf, opent de deur en rent de trap af. Eén van de sluisdeuren staat open en Sander snelt daarnaartoe, hopend dat hij ook Ineke nog even ziet. Als hij onder de roldeur doorrent, klapt deze net achter hem, met een grote knal naar beneden. Sander staat in trance, zijn ogen heeft hij stijf dicht, en weer herhalen de woorden van Fred zich in zijn gedachten.

‘Meneer van het Lot, gaat het?’ Sander opent langzaam zijn ogen en kijkt naar de agent die naast hem staat.

‘Gaat het, of wilt u even gaan zitten?’ vraagt hij nogmaals, als hij bemerkt dat Sander nog wit ziet.

‘Nee…, het gaat wel,’ zegt hij uiteindelijk.

‘Ik zal u naar huis brengen,’ zegt de agent vriendelijk, ‘dan kan ik u nog wat vragen stellen. Ik heb namelijk het vermoeden dat u in gevaar bent!’ Sander kijkt hem wazig aan. ‘In gevaar? Ik?’ zegt hij langzaam. De agent kijkt om zich heen en ondersteunt dan Sander naar zijn auto, terwijl hij fluistert: ‘Doe net alsof u gewond bent, dan zal ik zeggen dat we naar het ziekenhuis zijn gegaan, als iemand later vragen stelt!’ Sander doet wat hem gevraagd wordt, maar heeft zijn bedenkingen. Wat als deze agent met Fred samenwerkt? schiet het door zijn hoofd en hij denkt ineens aan Ineke.

‘Het is erg vriendelijk van u om me naar huis te brengen, maar ik heb een afspraak in de sportschool om half vijf, en het is nu,’ Sander kijkt op het horloge van de agent die hem nog steeds ondersteunt, ‘net over vieren! Ik moet dus opschieten, want het is aan de andere kant van de stad!’

‘Ik zal u er naar toe brengen dan,’

‘Dat is niet nodig,’ onderbreekt Sander hem, ‘mijn auto staat daar geparkeerd en ik kan zelf wel rijden!’ zegt hij, wijzend naar zijn nieuwe suv.

‘Ik rij achter u aan, dan ben ik er zeker van dat u aankomt!’ zegt de agent vastberaden. Ze lopen naar zijn auto, en als Sander op het knopje drukt van de afstandsbediening, gaan de deuren niet open. Hij drukt nogmaals, maar er gebeurt niets, geen bliepje, geen klik, niets!’

‘U heeft niet echt geluk met uw nieuwe auto,’ zegt de agent, die nu een glimlach op zijn gezicht heeft staan. ‘Ik zal u brengen en iemand naar uw auto laten kijken.’ Sander loopt zwijgend met de agent mee, en als ze in de auto zitten staart hij uit het zijraampje en vraagt: ‘Waarom denkt u dat ik in gevaar ben?’

‘Omdat Fred Flits een machtig man is. Heeft u zich nooit afgevraagd waar hij al dat geld vandaan haalt?’ Sander draait zijn hoofd en kijkt de agent fronsend aan: ‘Hij is dé eigenaar van een vuilverbranding, die al het afval amper aankan! De ovens draaien dag en nacht, volgend jaar wordt er een nieuwe oven bijgebouwd, en de mensen hier draaien dubbele diensten!’ Het is even stil maar dan zegt de agent: ‘Meneer Flits is een grote oplichter, maar hoe het precies in elkaar zit weten we niet. Toen uw telefoontje kwam met de mededeling dat Fred Flits, uw vriend, een moordenaar is, geloofden we dat meteen! Er waren al een paar mensen verdwenen nadat ze een gesprek hadden gehad met Fred, we hadden alleen geen bewijs!’ Sander wil wat zeggen, maar iets in hem vertrouwt het niet. Eerst maar met Ineke praten, denkt hij.

De agent stopt bij de sportschool, parkeert zijn auto voor de deur en gaat met Sander mee naar binnen.

‘Hé Sannie, je mag wel opschieten, je leraar is al aan het opwarmen!’ zegt Paul, een dove jongen die achter de balie zit.

‘Twee minuutjes!’ zegt Sander, terwijl hij twee vingers in de lucht steekt. Paul begint te lachen, maar kijkt achterdochtig naar de agent die aan de bar gaat zitten en een koffie besteld.

Sander heeft een eigen box met een kledingkast, een wc en douche. Een cadeautje van Fred, ‘Als je hier toch elke dag komt, dan moet je je hier toch ook thuisvoelen!’ had hij geroepen, toen hij de sleutels aan hem overhandigde. Maar waar kwam het geld vandaan? denkt Sander ineens. Snel kleed hij zich om en gaat naar zijn Meester, en als hij anderhalf uur later onder de douche staat, voelt hij zich leeg maar voldaan.

Opgewekt komt hij de bar binnenwandelen als hij de agent ziet, die met zijn mobiel bezig is. Wanner hij Sander ziet stopt hij meteen zijn telefoon weg en staat op.

‘Ik zal u nu naar huis brengen, want u zult wel moe zijn,’ zegt de agent formeel. Voordat Sander kan reageren roept Paul hem. ‘Sander, er heeft iemand gebeld dat uw afspraak niet doorgaat.’ Hij kijkt naar de jongen die handgebaren maakt, en Sander gebaart hem terug. Ze lachen samen terwijl ze druk heen en weer gebaren en dan draait Sander zich om, naar de agent.

‘Breng me maar naar de vuilverbranding, er zijn nog wat dingen die ik moet doen, over een uur is de ploegenwissel.’ De agent knikt, en samen lopen ze weg. Buiten begint Sander ineens te lachen en de agent kijkt hem verbaasd aan.

‘Wat is er zo leuk?’

‘Nou die mop die Paul vertelde, had je het niet begrepen?’

‘Nee, ik ken geen doventaal!’ Glimlachend stapt Sander in de auto.

 

Als Sander de hal binnenloopt ziet hij dat het kantoor van Anton donker is.

‘Hij zal wel naar huis zijn!’ zegt hij tegen zichzelf en loopt naar het bedieningshuisje. Gelukkig wilde de agent in de auto op hem wachten, want hij wilde niet dat hij mee kwam. Sander gaat de trap op, kijkt goed om zich heen en opent dan de deur.

‘Ineke, ben je hier! Paul vertelde me dat…,’ Hij draait zich abrupt om, zakt meteen door zijn knieën en neemt een gevechtshouding aan. Voor hem staat Anton, die hem met een honkbalknuppel wil neerslaan.

‘Ik zal je leren om Fred als moordenaar aan te geven!’ zegt Anton woest, en komt op hem afgerend met de knuppel op hem gericht. Sander maakt een zijwaartse beweging en gaat lenig onder de knuppel door, terwijl hij Anton in zijn kleine ogen kijkt.

‘Ik zal je vermoorden en verklaren dat jij overal achter zit!’ Weer slaat Anton met de knuppel, maar ook deze keer draait Sander met een elegante zwaai weg van hem. Hij had vandaag de wedstrijd taekwondo van zijn Meester Yokohasi verloren, maar hij voelt dat Anton meer zijn hart volgt dan zijn hoofd. Nadat Sander nog een paar keer lenig wegduikt, kijkt hij even naar buiten, maakt dan een schijnbeweging en springt hoog op waarbij hij een fikse trap uitdeelt aan de agent die net op dat moment binnenstapt. Die zakt, zijn handen op zijn maag houdend, door zijn knieën.

Anton kijkt verschrikt op van de aanval van Sander, en komt dan met opgeheven knuppel wild op hem af rennen. Sander bukt en Anton slaat op het bedieningspaneel! Als hij zich omdraait staat Sander alweer aan de andere kant klaar in een andere gevechtshouding, en geconcentreerd op Anton’s gezicht, die nu langzaam op hem af komt lopen. Dan, als Sander de knuppel op hem af ziet komen, rolt hij op zijn rug weg, terwijl hij vanuit zijn ooghoek ziet dat de agent zijn pistool trekt. Hij maakt een andere draai en springt dan zo hoog mogelijk op. Er klinkt een knal en Sander kijkt naar de beide mannen die neervallen. Er stroomt bloed uit de borstkas van Anton en de agent ligt bewusteloos op de grond met een hoofdwond. In de deuropening staat Ineke met een grote ijzeren buis in haar handen. Haar gezicht vol in het licht, en Sander kijkt haar verschrikt aan.

‘Wat is er met jou gebeurd?’ vraagt hij, en loopt op haar af. Ineke pakt een stuk touw dat aan de reling hangt en bindt de agent vast.

‘Dit is Fred junior, een agent die geheime informatie aan zijn vader doorspeelt, die op zijn beurt dan weer maatregelen nam. Hoe, dat weet jij net zo goed als ik!’ en Ineke kijkt schuin naar Sander, die van de dove jongen al had gehoord dat de agent corrupt was.

‘Hoe wist jij dat?’ Beiden kijken op als ze sirenes horen naderen.

‘Ik heb ze gebeld,’ begint Ineke, ‘Fred had meerdere minnaressen, en als hij ze zat was, gaf hij ze een rondleiding waar ze nooit meer van terugkwamen. Ik was daar achtergekomen omdat ik hem een keer was gevolgd. Daarna ben ik hem gaan controleren en was hier vaak, maar onzichtbaar, aanwezig. Ik kwam erachter hoe hij samenwerkte met Anton en Wil, en hoe hij jou gebruikte om aan de buitenwereld te laten zien, wat voor een geweldige man hij was. Hetzelfde deed hij met mij, door overal de gentleman uit te hangen, had niemand door wat voor doortrapte vent hij was! Maar van de week ging het mis…,’ ze slikt, draait zich om en kijkt naar de transportbanden. Sander loopt naar haar toe, legt een arm om haar heen en voelt hoe ze verstijft.

‘Fred vond me hier nadat Anton hem had gebeld, hij was witheet en pakte me beet, liep met mij naar de transportband en gooide me over de reling.’ Sander ziet het levendig voor zich en denkt aan de vele keren dat Fred de mensen hier naar beneden gooide.

‘Maar hoe ben je eruit gekomen, er is geen weg terug, en de ovens staan altijd aan!’

‘Vlak voor de ovens stond de band ineens stil, en terwijl ik Fred met Wil hoorde discussiëren, klom ik over de banden naar de zijkant toe en rende weg.’

Sander kijkt naar Ineke, er rolt een traan over haar verbrande gezicht.

‘Alles is nu voorbij,’ zegt hij zachtjes, als de politie binnenstormt. En hij houdt haar nog steviger vast.

 

Sylvia