Sylviaderijk.com
HOME » verhalen » De uitkijktoren

De uitkijktoren

Op blote voeten loopt ze over het strand, verward en in gedachten. Hij was gisteravond niet thuisgekomen na zijn avondwandeling.

Drie jaar wonen ze nu aan de rand van het duin en elke avond wandelen ze samen met hun vos, die ze vorig jaar gewond hadden gevonden in het duin. Martin, haar man, had het dier opgetild en naar hun huis gedragen. Na een intense nacht van waken en de wonden verzorgen, visdraad zat gewikkeld om de voorpootjes en haar nek, kwam ze er weer bovenop. De eerste week sliep ze in de woonkamer in een oude rieten hondenmand, die ze de tweede week in de schuur hadden gezet, met de deur op en kier, zodat ze naar buiten kon, of als ze hen wilde verlaten, kon ze zo weggaan! Maar ze bleef, altijd op afstand van zo’n twee meter, en een beetje schichtig. Martin had een luikje in de deur gemaakt, zodat de schuur niet altijd open zou staan. Lucy, zoals ze het vosje noemden, luisterde naar die naam. Mensen uit de buurt keken raar op toen ze de eerste keer over het strand wandelden en zij hun volgde, maar later werd er niet meer over gepraat, het was de normaalste zaak voor de dorpelingen.

Gisteravond had Marieke geen fut om te wandelen, een griepvirus hing in de lucht!

‘Ga jij maar alleen met Lucy, ik neem een bad en kruip onder de wol, dan ben ik morgen misschien wat opgeknapt!’ zei ze tegen Martin. Hij had haar gekust en gezegd: ‘Ik maak een kleine wandeling, dan maak ik daarna een kopje thee voor je!’ Toen riep hij Lucy en ze hoorde hem fluitend weggaan.

Vanochtend bij het ontwaken voelde Marieke zich beter, alleen nog wat slapjes. Ze draaide zich, met slaperige ogen maar glimlachend, om naar haar man, en keek verbaasd naar het onbeslapen kussen.

‘Oh…, lieverd, waar ben je?’ Ze gaat op de rand van het bed zitten en wacht tot de duizeling wegebt, voordat ze opstaat. Ze loopt de slaapkamer uit en gaat naar de woonkamer die aan de andere kant van de gang is.

‘Ben je in de woonkamer? Martin..., Martin!’ Als ze hem niet ziet, loopt ze naar de keuken en opent de vaatwasser, die aangeeft dat het programma klaar is. Ze schrikt als ze de afwas van gisteren ziet, want normaal gesproken ruimt Martin de afwasmachine uit. Met een knagend gevoel in haar maag loopt ze naar buiten, naar de schuur, en opent deze. Ze kijkt in het rond en het duurt even voordat ze aan het duister gewend is. Dan ziet ze Lucy zielig in haar mandje zitten en Marieke loopt er zachtjes pratend op af.

‘Waar is het baasje?’ en ze gaat op haar hurken zitten, ‘ben je gisteren niet gaan lopen met hem? Waar…’ Lucy springt voor haar langs, waardoor Marieke plotseling achterover op haar kont valt. Lucy loopt voorzichtig naar de deur, steekt haar kop naar buiten en jankt zachtjes, dan sluipt ze terug naar haar mand en gaat liggen, Marieke aankijkend. Een huivering trekt door haar heen, hoe vaak hadden de dorpelingen wel niet gezegd dat ze zo afgelegen woonden, dat ze bang waren dat er iets zou gebeuren. Maar Martin en Marieke hadden erom gelachen, ze kwamen tenslotte allebei uit het duin vandaan, bang waren ze niet.

Marieke kijkt om zich heen op het strand, het is een mistige ochtend, haar groenige nachtjapon wordt door de wind om haar slanke lichaam geblazen, haar goed gevormde borsten nu zichtbaar. De bruine omslagdoek, die in de schuur hing, heeft ze over haar haren gedaan, zodat de prachtige haardos, kastanjerood van kleur, niet in de klit zal raken. Met spijt dat ze alleen is gegaan, loopt ze naar de uitkijktoren, die tegen een rots is gebouwd. Door de mist ziet het er een beetje griezelig uit, maar haar verwardheid doet de angst verdrijven. Als ze bij de toren aankomt loopt ze voorzichtig naar de ingang, de golven kletsen tegen de onderkant van de rotsen en het zeewater spettert in het gezicht van Marieke, die uit haar gedachten ontwaakt en bang maar ook nieuwsgierig de hand op de deurkruk legt. Langzaam drukt ze de kruk naar beneden en de deur gaat krakend open. Voorzichtig gaat Marieke naar voren, wennend aan de duisternis die daarbinnen heerst. Ze hoort buiten de zee bonken, maar hierbinnen klinkt het gedempt. Als de deur helemaal openstaat kijkt ze argwanend naar binnen en het verbaast haar dat er een vreemde stilte hangt. Stapje voor stapje gaat ze verder naar binnen en neemt de omgeving in zich op. Nu haar ogen gewend zijn kijkt ze verbouwereerd, zo mooi als het binnen is. De ruimte is groot, rond, en als ze drie treden het stenen trappetje afloopt staat ze tot aan haar enkels in helder zeewater, met hier en daar een rots die uit het water vandaan steekt. Zachtjes roept ze de naam van haar man: ‘Martin, Martin…,’ Meteen komt er een harde echo terug waardoor Marieke geschrokken weer het trappetje oprent en achteromkijkt. Door het licht van buiten ziet ze ineens tegenover haar een andere deur. Voorzichtig loopt ze weer terug het water in, terwijl het fijne zand tussen haar tenen doorsijpelt, denkt ze aan de woorden van haar man: “Ga nooit alleen naar de uitkijktoren, de dorpelingen hebben gezegd dat het er spookt! Er is een legende over een koppel dat hier gewoond heeft!”

Stapje voor stapje en goed kijkend waar ze haar voeten neerzet, loopt ze naar de overkant. Als ze twijfelend de eerste trede opgaat kijkt ze achterom en ziet bij de deuropening een vrouw argwanend naderen. Ze schrikt zich rot als ze het gezicht van deze vrouw ziet. Het is alsof ze in een spiegel kijkt ,want ze ziet zichzelf! Als een film die opnieuw wordt afgespeeld, ziet ze deze vrouw stapje voor stapje naar binnen gaan, en als ze deze vrouw dan zachtjes haar man’s naam hoort roepen, blijft Marieke doodstil staan! Geschrokken ziet ze de vrouw weer terugrennen, later weer tevoorschijn komen en het water instappen. Voetje voor voetje nadert de vrouw en Marieke raakt in paniek. Waar moet ik heen? denkt ze bij zichzelf, de deur achter me of zal ik terugrennen? De vrouw kijkt haar aan maar haar ogen staan troebel, ze ziet Marieke niet! Als de vrouw achterom kijkt en dan van schrik doodstil blijft staan, kijkt ook Marieke met angst naar de deur die voorzichtig weer opengaat. Ze ziet zichzelf weer argwanend om de hoek van de deur kijken, en stapje voor stapje binnenkomen. Marieke kijkt naar haar eerste spiegelbeeld, dat langzaam vervaagt, maar ze schrikt zich opnieuw rot, als haar nieuwe ik Martin roept! Marieke wil terug, maar ze is bang om naar de deur te lopen. Ze kijkt weer naar haar spiegelbeeld dat voorzichtig het water instapt en haar nadert. Dan draait Marieke zich om en loopt doelbewust de drie treden op naar de andere deur, die ze zonder aarzelen opent. Ze knippert met haar ogen als het felle licht in haar ogen schijnt! Met haar rechterhand boven haar ogen probeert ze het licht een beetje te dempen en kijkt heel verbaasd naar de omgeving.

‘Ik…, ik ben weer…, buiten!’ zegt ze verbijsterd tegen zichzelf. Ze loopt een paar passen naar voren en hoort achter haar de deur sluiten. Met een hartslag van honderd draait ze zich om en kijkt naar de dichte deur die ineens weer open gaat. Ze ziet haar spiegelbeeld naar buiten kijken, maar het felle licht doet haar vervagen, en na enkele seconden sluit de deur zich weer. Marieke zucht diep en…, houdt geschrokken haar adem in als ze weer de deur open ziet gaan en de volgende spiegelbeeld naar buiten ziet kijken, dat wederom door het felle licht vervaagt. Marieke begint in paniek te roepen: ‘Martin! Martin, waar ben je? Martin, zeg iets!’ maar het blijft stil. Ze kijkt om zich heen, ziet overal zand en duinhalmen, maar geen levend wezen in de buurt! Ze laat zichzelf teleurgesteld op de grond vallen en zittend kijkt ze weer naar de deur die nog eens opengaat. Dit keer kijkt ze goed naar haar spiegelbeeld.

‘Ben ik dat?’ zegt ze zachtjes, en betoverd staat ze op, loopt naar de deur die weer dicht is en wacht tot hij weer opengaat. Wanneer de oude houten deur weer opengaat stapt ze door haar spiegelbeeld, haar eigen ik weer binnen en ze ziet…?

Aan de andere kant van de uitkijktoren gaat een deur open en een aarzelende man kijkt voorzichtig naar binnen. Marieke schrikt als ze deze persoon haar naam hoort roepen. ‘Mijn man!’ zegt ze verbaasd. Als ze naar hem toe wil lopen ziet ze Martin haar naderen en ze blijft met open armen wachten tot hij een meter voor haar stopt, zich geschrokken omdraait naar de deur en in angst doodstil blijft staan. Marieke kijkt naar de deur, die zich sluit en na enkele seconden weer opent en…, ze sluit haar ogen en probeert normaal te ademen. ‘Dit kan niet, nee…, dit is niet waar, het is gewoon een droom!’ zegt ze tegen zichzelf, en opent de ogen terwijl ze haar adem uitblaast. Ze ziet het spiegelbeeld van haar man binnenkomen en hoort dan, net als haar man, haar naam roepen. Het spiegelbeeld van haar man vervaagt als hij een meter van Martin afstaat. Marieke ziet hem opgelucht ademhalen en hij loopt naar de deur aan de overkant, gaat op het trappetje zitten en kijkt geschrokken naar de andere deur, die weer opengaat waarna een spiegelbeeld naar binnen stapt. Marieke, die het niet meer aan kan horen dat ze door haar man wordt geroepen, rent op haar man af en omarmt hem. Maar hij ziet en voelt haar niet, hij kijkt in trance naar zijn andere ik! Schreeuwend en huilend probeert ze hem wakker te maken maar niets helpt, Martin, nog steeds zittend, neemt zijn hoofd in zijn handen, niets wil hij meer horen of voelen. Marieke heeft het gevoel dat ze daar al uren zijn, ze zit bovenaan het stenen trapje met Martin in haar armen, die in zichzelf is gekeerd. Waarom kan ik wel alles zien, horen en voelen en hij niet? denkt ze. Er moet toch een oplossing zijn! Ze denkt aan háár spiegelbeeld…, ‘Dat is gestopt toen ik door mijn eigen ik heen stapte!’ zegt ze tegen zichzelf, en ze staat abrupt op, ‘Dat moet Martin ook doen, weer letterlijk in zichzelf komen, maar hoe krijg ik dat voor elkaar?’ Ze kijkt naar de deur achter haar. Hij moet daardoor en dan weer terug, zijn eigen ik binnenstappen. Marieke opent de deur en loopt naar buiten. De zonnestralen verwarmen haar, ze gaat in het zand zitten en wacht, terwijl ze in gedachten zegt: Kom Martin, deze deur door!

Als de zon richting de zee gaat, zakt de moed Marieke in de schoenen. Ze schrikt op als ze een zachte pels op haar schouder voelt. Voorzichtig draait ze zich om en kijkt naar Lucy, die zachtjes jankend naar de openstaande deur kijkt.

‘Ja, Martin is daar, maar hij komt niet naar buiten!’ zegt ze zachtjes tegen het vosje. Dan…, heel voorzichtig, gaat Lucy, sluipend en op haar hoede, naar binnen, waarbij Marieke haar volgt.

Ze vindt Martin, moedeloos op een rots in het midden van de uitkijktoren, zittend met zijn benen opgetrokken, zijn hoofd op zijn knieën, zijn armen om z’n benen heengeslagen. Steeds weer komt zijn spiegelbeeld binnen, en vervaagt op nog geen meter afstand van hem. Vreemd, denkt Marieke, Lucy ziet het spiegelbeeld niet, en ze loopt door het water naar Martin. Voorzichtig likt zij aan zijn hand waardoor die abrupt opkijkt en Lucy schichtig naar achteren loopt.

‘Lucy, oh Lucy…! wat ben ik blij dat jij er bent!’ roept Martin, opspringend. De vos loopt snel naar de deur waardoor ze was binnengekomen en Martin volgt haar.

‘Lucy, niet zo snel, wacht op me!’ Twee meter van de deur vandaan gaat het vosje liggen en Martin kijkt, als de felle stralen zijn afgeschermd door zijn hand, die hij boven zijn ogen houdt, naar buiten. Als hij een paar passen van de deur is verwijderd, gaat deze weer dicht. Martin, die nu blij is dat hij buiten is, schrikt als de deur weer opengaat en hij zichzelf weer ziet staan in de deuropening. Het spiegelbeeld vervaagt door het felle licht en de deur sluit zich weer. Dan spitst Lucy haar oren, houdt haar kop schuin, luistert als de deur weer opengaat, en ze haar naam hoort roepen. Dan staat ze op, loopt naar de deur en jankt zachtjes, wat de aandacht trekt van Martin.

‘Nee Lucy, daar ga ik niet naar binnen!’ zegt Martin, met een zekere angst in zijn ogen. Maar Lucy, die nog steeds geroepen wordt, stapt, als de deur weer opengaat, naar binnen, en deze sluit zich onmiddellijk. Martin kijkt naar de dichte deur en voelt paniek in zich opkomen.

Zonder erbij na te denken stuift hij op de deur af, terwijl hij het vosje roept: ‘Lucy, kom hier Lucy!’ Als de deur opengaat loopt hij, zonder het te beseffen door zijn eigen spiegelbeeld heen, het trappetje af. Hij wil Lucy redden en als hij haar roept blijft hij geschrokken staan.

‘Marieke…, ben jij het?’ en hij laat zichzelf op zijn knieën in het water vallen. Voor hem staat zijn vrouw met hun vosje aan haar zijde. De tranen rollen over zijn gezicht, de emoties worden hem te veel. Al dagen was hij de uitgang aan het zoeken, en vond niets en niemand, en nu…

Marieke loopt langzaam op haar man af. Ze laat zich op haar knieën zakken en omhelst hem. De tranen rollen ook bij haar over de wangen. Ze kussen elkaar, eerst voorzichtig en teder, maar al gauw hevig en vurig. Wat houden ze van elkaar en wat hebben ze elkaar gemist! Als de deur voor hen opengaat loopt Lucy als eerste naar buiten, gevolgd door het koppel, nog steeds hevig kussend. Buiten de uitkijktoren laten ze zich vallen in het zand, betasten en kussen elkaar, en bedrijven ze de liefde alsof het weer de eerste keer is. Lucy, die even achterom had gekeken naar het koppel, loopt kwispelend weg.

 

Binnen in de uitkijktoren zit een koppel dat elkaar stevig vasthoudt, ze kijken angstig naar de deuren die open- en dichtgaan, en waar hun spiegelbeelden steeds weer opnieuw verschijnen en vervagen…

 

Sylvia